AANLEIDING

Wanneer we denken aan de gemiddelde hbo-student, zien we vaak een jongvolwassene voor ons die zich relatief soepel door het onderwijssysteem beweegt. Iemand die colleges volgt, projecten afrondt en na een paar jaar met een diploma de arbeidsmarkt betreedt. Dit beeld klopt voor een deel van de studenten, de neurotypische studenten, maar het doet geen recht aan de groep neurodivergente studenten.

Neurodiversiteit verwijst naar de natuurlijke variatie in hoe menselijke breinen werken, en daarmee naar de verschillende manieren van denken, ervaren, doen en leren. Daarbinnen wordt gesproken over neurotypische en neurodivergente mensen. De meeste onderwijsstructuren zijn ingericht op neurotypische studenten: mensen bij wie het brein aansluit bij de heersende norm waarop onze samenleving, en dus ook het onderwijssysteem, is gebaseerd. Neurodivergente studenten, bijvoorbeeld studenten met autisme, ADHD of dyslexie, hebben een brein dat nét anders werkt.

Voor hen is studeren soms allesbehalve vanzelfsprekend. Zij navigeren door het hoger onderwijs met extra uitdagingen, zoals prikkelgevoeligheid, moeite met planning of een andere manier van informatie verwerken. Deze studenten hebben vaak een andere en complexere onderwijsbehoefte dan hun neurotypische medestudenten.

STUDENTPOPULATIE

Als we kijken naar de recente cijfers van de NSE, zien we dat studenten die studeren onder een bijzondere omstandigheid én hierdoor belemmeringen ervaren een aanzienlijke groep vormen. Deze subgroep bestaat uit 55.475 studenten, wat neerkomt op 21 procent van het totale aantal respondenten van de NSE (n = 258.133). Wanneer we het aandeel studenten met een bijzondere omstandigheid per onderwijsinstelling bekijken, zien we dat de grote hbo-instellingen die verbonden zijn aan het HBO-i-netwerk (zoals Avans, Fontys, Windesheim en Hogeschool Utrecht) een vergelijkbaar aandeel kennen, namelijk tussen de 21 en 22 procent (Schreurs & Bremer, 2025, pp. 4, 6).

In de NSE is eveneens onderzocht in welke sectoren studenten met bepaalde belemmeringen studeren. De verschillen tussen sectoren zijn beperkt. Wat wel opvalt, is dat in het hbo studenten in de sectoren Techniek en Taal & Cultuur relatief vaak belemmeringen ervaren, met name op het gebied van sociale vaardigheden. De meest genoemde medische bijzondere omstandigheden in het hbo zijn ADHD, dyslexie/dyscalculie/TOS en autisme. De meest gerapporteerde belemmeringen zijn problemen met concentratie, angst en stress, energieniveau en plannen/organiseren (Schreurs & Bremer, 2025, pp. 9-10, 12).

Uit data over drie studiejaren bij de opleiding Informatica van de Avans Academie Associate degrees blijkt dat neurodivergente studenten structureel de meerderheid vormen. In deze drie studiejaren bestond de instroom voor 49 procent uit studenten met een vastgestelde diagnose door een bevoegd psycholoog en/of psychiater (groep A; zie figuur 1). Van de overige 51 procent had ongeveer de helft (groep B; 26%) zelf een sterk vermoeden van neurodivergent gedrag op basis van ervaringen in het voorafgaand onderwijs. De resterende 25 procent (groep C) beschouwde zichzelf als neurotypisch. Na één week onderwijs had het docententeam echter de indruk dat een aanzienlijk deel van groep C tot groep A of B gerekend kon worden.

Figuur 1: studentpopulatie opleiding AAAd informatica (De Reus, 2025).

INCLUSIEF ONDERWIJS

Veel onderwijstheorieën en lesontwerpen zijn gebaseerd op hoe neurotypische studenten leren en zich gedragen. Daarbij wordt uitgegaan van studenten die gemakkelijk plannen en organiseren, goed functioneren in groepen, snel schakelen tussen taken, weinig moeite hebben met prikkels of sociale situaties en zich soepel aanpassen aan standaard lesvormen. Voor neurodivergente studenten werkt dit anders. Zij hebben vaak andere leerbehoeften, zoals meer structuur en duidelijkheid, rust en prikkelarme omgevingen, keuzevrijheid in werkvormen en alternatieve manieren om te laten zien wat zij kunnen.

Het gedrag van neurotypische en neurodivergente studenten verschilt subtiel, is sterk afhankelijk van de context en varieert per individu. Toch zijn er patronen zichtbaar die in het onderwijs regelmatig terugkomen. Neurotypische studenten worden doorgaans gekenmerkt door assertief, communicatief, zelfstandig en flexibel gedrag. Hierdoor sluiten zij makkelijker aan bij een onderwijsstructuur, die vanuit neurotypische aannames is ontworpen, en hebben zij minder behoefte aan aanpassingen of ondersteuning. Neurodivergente studenten vallen vaak op door sterk analytisch denken, detailgerichtheid en betrouwbaarheid. Tegelijkertijd gaat dit regelmatig samen met ander studiegedrag: verschillen in focus en concentratie, uitdagingen rondom impulsiviteit en zelfregulatie, en moeite om aansluiting te vinden bij didactische vormen die vanuit neurotypische normen zijn vormgegeven.

Wanneer we onderwijs blijven ontwerpen vanuit uitsluitend het neurotypische perspectief, sluiten we onbedoeld studenten uit die anders leren. Daarom is het essentieel om ook neurodivergente ervaringen en behoeften actief mee te nemen in onderwijsontwikkeling. ECIO verwoordde dit treffend in De Staat van Inclusief Onderwijs 2023: “Samen onderwijs volgen is niet hetzelfde als inclusief onderwijs. Inclusie is niet alleen uitgenodigd worden op het feestje, maar ook kunnen meedansen met de rest” (Scheeren et al., 2023).

PROJECT NEURODIVERSITEIT

Het verschil in onderwijsbehoefte is niet alleen een individuele kwestie, maar een structurele uitdaging. Hier speelt het project Neurodiversiteit van Stichting HBO-i een belangrijke rol. Dit initiatief heeft als doel de verschillen in onderwijservaring merkbaar te verkleinen en een leeromgeving te creëren waarin álle studenten, ongeacht hun neurologisch profiel, tot hun recht komen. Neurodiversiteit is immers geen uitzondering, maar een realiteit in elke klas. Het erkennen en ondersteunen van die diversiteit is een stap richting inclusiever hoger onderwijs.

Specifiek richt het project zich op het domein Informatica binnen het hoger beroepsonderwijs. Het doel is om de ontwikkeling van inclusief onderwijs in dit vakgebied te stimuleren en docenten te ondersteunen bij het ontwerpen van onderwijs dat zowel voor neurotypische als neurodivergente studenten toegankelijk en uitvoerbaar is.

DE HANDREIKING

Om deze ontwikkeling te ondersteunen heeft het project een inspirerende handreiking voor docenten ontwikkeld. Deze handreiking biedt:

  • Informatie over neurodiversiteit en de relevantie ervan binnen hbo-i en het bredere beroepsveld.

  • Een introductie tot Universal Design for Learning (UDL): een ontwerpkader dat richting geeft aan het ontwikkelen van inclusief onderwijs.

  • Inspiratie uit de praktijk, met voorbeelden van UDL-toepassingen in twee proeftuinen (Fact Based Analyseren en Samenwerken) én een best practice over co-creatie vanuit HBO-ICT Windesheim.

  • Een verkenning van de kansen en aandachtspunten van generatieve AI bij het ontwikkelen en ondersteunen van inclusief onderwijs.

  • Een praktische werkwijzer, inclusief handige templates, waarmee docenten direct zelf aan de slag kunnen.

Met deze handreiking krijgen docenten concrete handvatten om hun onderwijs inclusiever te maken, zodat iedere student optimaal kan leren en zich kan ontwikkelen.

CONTEXT EN ACHTERGROND
AANLEIDING

Wanneer we denken aan de gemiddelde hbo-student, zien we vaak een jongvolwassene voor ons die zich relatief soepel door het onderwijssysteem beweegt. Iemand die colleges volgt, projecten afrondt en na een paar jaar met een diploma de arbeidsmarkt betreedt. Dit beeld klopt voor een deel van de studenten, de neurotypische studenten, maar het doet geen recht aan de groep neurodivergente studenten.

Neurodiversiteit verwijst naar de natuurlijke variatie in hoe menselijke breinen werken, en daarmee naar de verschillende manieren van denken, ervaren, doen en leren. Daarbinnen wordt gesproken over neurotypische en neurodivergente mensen. De meeste onderwijsstructuren zijn ingericht op neurotypische studenten: mensen bij wie het brein aansluit bij de heersende norm waarop onze samenleving, en dus ook het onderwijssysteem, is gebaseerd. Neurodivergente studenten, bijvoorbeeld studenten met autisme, ADHD of dyslexie, hebben een brein dat nét anders werkt.

Voor hen is studeren soms allesbehalve vanzelfsprekend. Zij navigeren door het hoger onderwijs met extra uitdagingen, zoals prikkelgevoeligheid, moeite met planning of een andere manier van informatie verwerken. Deze studenten hebben vaak een andere en complexere onderwijsbehoefte dan hun neurotypische medestudenten.

STUDENTPOPULATIE

Als we kijken naar de recente cijfers van de NSE, zien we dat studenten die studeren onder een bijzondere omstandigheid én hierdoor belemmeringen ervaren een aanzienlijke groep vormen. Deze subgroep bestaat uit 55.475 studenten, wat neerkomt op 21 procent van het totale aantal respondenten van de NSE (n = 258.133). Wanneer we het aandeel studenten met een bijzondere omstandigheid per onderwijsinstelling bekijken, zien we dat de grote hbo-instellingen die verbonden zijn aan het HBO-i-netwerk (zoals Avans, Fontys, Windesheim en Hogeschool Utrecht) een vergelijkbaar aandeel kennen, namelijk tussen de 21 en 22 procent (Schreurs & Bremer, 2025, pp. 4, 6).

In de NSE is eveneens onderzocht in welke sectoren studenten met bepaalde belemmeringen studeren. De verschillen tussen sectoren zijn beperkt. Wat wel opvalt, is dat in het hbo studenten in de sectoren Techniek en Taal & Cultuur relatief vaak belemmeringen ervaren, met name op het gebied van sociale vaardigheden. De meest genoemde medische bijzondere omstandigheden in het hbo zijn ADHD, dyslexie/dyscalculie/TOS en autisme. De meest gerapporteerde belemmeringen zijn problemen met concentratie, angst en stress, energieniveau en plannen/organiseren (Schreurs & Bremer, 2025, pp. 9-10, 12).

Uit data over drie studiejaren bij de opleiding Informatica van de Avans Academie Associate degrees blijkt dat neurodivergente studenten structureel de meerderheid vormen. In deze drie studiejaren bestond de instroom voor 49 procent uit studenten met een vastgestelde diagnose door een bevoegd psycholoog en/of psychiater (groep A; zie figuur 1). Van de overige 51 procent had ongeveer de helft (groep B; 26%) zelf een sterk vermoeden van neurodivergent gedrag op basis van ervaringen in het voorafgaand onderwijs. De resterende 25 procent (groep C) beschouwde zichzelf als neurotypisch. Na één week onderwijs had het docententeam echter de indruk dat een aanzienlijk deel van groep C tot groep A of B gerekend kon worden.

Figuur 1: studentpopulatie opleiding AAAd informatica (De Reus, 2025).

INCLUSIEF ONDERWIJS

Veel onderwijstheorieën en lesontwerpen zijn gebaseerd op hoe neurotypische studenten leren en zich gedragen. Daarbij wordt uitgegaan van studenten die gemakkelijk plannen en organiseren, goed functioneren in groepen, snel schakelen tussen taken, weinig moeite hebben met prikkels of sociale situaties en zich soepel aanpassen aan standaard lesvormen. Voor neurodivergente studenten werkt dit anders. Zij hebben vaak andere leerbehoeften, zoals meer structuur en duidelijkheid, rust en prikkelarme omgevingen, keuzevrijheid in werkvormen en alternatieve manieren om te laten zien wat zij kunnen.

Het gedrag van neurotypische en neurodivergente studenten verschilt subtiel, is sterk afhankelijk van de context en varieert per individu. Toch zijn er patronen zichtbaar die in het onderwijs regelmatig terugkomen. Neurotypische studenten worden doorgaans gekenmerkt door assertief, communicatief, zelfstandig en flexibel gedrag. Hierdoor sluiten zij makkelijker aan bij een onderwijsstructuur, die vanuit neurotypische aannames is ontworpen, en hebben zij minder behoefte aan aanpassingen of ondersteuning. Neurodivergente studenten vallen vaak op door sterk analytisch denken, detailgerichtheid en betrouwbaarheid. Tegelijkertijd gaat dit regelmatig samen met ander studiegedrag: verschillen in focus en concentratie, uitdagingen rondom impulsiviteit en zelfregulatie, en moeite om aansluiting te vinden bij didactische vormen die vanuit neurotypische normen zijn vormgegeven.

Wanneer we onderwijs blijven ontwerpen vanuit uitsluitend het neurotypische perspectief, sluiten we onbedoeld studenten uit die anders leren. Daarom is het essentieel om ook neurodivergente ervaringen en behoeften actief mee te nemen in onderwijsontwikkeling. ECIO verwoordde dit treffend in De Staat van Inclusief Onderwijs 2023: “Samen onderwijs volgen is niet hetzelfde als inclusief onderwijs. Inclusie is niet alleen uitgenodigd worden op het feestje, maar ook kunnen meedansen met de rest” (Scheeren et al., 2023).

PROJECT NEURODIVERSITEIT

Het verschil in onderwijsbehoefte is niet alleen een individuele kwestie, maar een structurele uitdaging. Hier speelt het project Neurodiversiteit van Stichting HBO-i een belangrijke rol. Dit initiatief heeft als doel de verschillen in onderwijservaring merkbaar te verkleinen en een leeromgeving te creëren waarin álle studenten, ongeacht hun neurologisch profiel, tot hun recht komen. Neurodiversiteit is immers geen uitzondering, maar een realiteit in elke klas. Het erkennen en ondersteunen van die diversiteit is een stap richting inclusiever hoger onderwijs.

Specifiek richt het project zich op het domein Informatica binnen het hoger beroepsonderwijs. Het doel is om de ontwikkeling van inclusief onderwijs in dit vakgebied te stimuleren en docenten te ondersteunen bij het ontwerpen van onderwijs dat zowel voor neurotypische als neurodivergente studenten toegankelijk en uitvoerbaar is.

DE HANDREIKING

Om deze ontwikkeling te ondersteunen heeft het project een inspirerende handreiking voor docenten ontwikkeld. Deze handreiking biedt:

  • Informatie over neurodiversiteit en de relevantie ervan binnen hbo-i en het bredere beroepsveld.

  • Een introductie tot Universal Design for Learning (UDL): een ontwerpkader dat richting geeft aan het ontwikkelen van inclusief onderwijs.

  • Inspiratie uit de praktijk, met voorbeelden van UDL-toepassingen in twee proeftuinen (Fact Based Analyseren en Samenwerken) én een best practice over co-creatie vanuit HBO-ICT Windesheim.

  • Een verkenning van de kansen en aandachtspunten van generatieve AI bij het ontwikkelen en ondersteunen van inclusief onderwijs.

  • Een praktische werkwijzer, inclusief handige templates, waarmee docenten direct zelf aan de slag kunnen.

Met deze handreiking krijgen docenten concrete handvatten om hun onderwijs inclusiever te maken, zodat iedere student optimaal kan leren en zich kan ontwikkelen.

CONTEXT EN ACHTERGROND