NEURODIVERSITEIT

1.1 INTRODUCTIE: VANUIT DE PRAKTIJK

Ik heb jaren feedback van mijn omgeving ontvangen gericht op mijn beperking (dyslexie) en wat ik niet goed deed. ‘Let nu eens beter op’, ‘Je moet eens beter je best doen’, ‘Heb je weer zoveel taalfouten’. Dat doet wat met je, het heeft bijgedragen aan faalangst en invloed op mijn zelfvertrouwen gehad - Robert-Jan

In 2021 maakte ik de overstap naar het hbo-onderwijs, als ICT-docent aan de Hogeschool Utrecht. Daar ben ik enorm blij mee en het voelt als een cadeau om met mensen te werken en hen te begeleiden in hun persoonlijke en professionele ontwikkeling. Tegelijkertijd merkte ik dat er iets angstigs in me kroop, iets wat terug te voeren was op mijn eigen schooltijd. Onderwijs was voor mij jarenlang een sterk talige, lineaire en vooral moeilijke omgeving. Toen wist ik nog niet dat ik dyslectisch ben; dat ontdekte ik pas toen mijn dochter de diagnose kreeg en ik veel in haar ervaring herkende.

In mijn vorige baan had ik weinig last van mijn dyslexie, omdat ik vooral taken deed die aansloten bij mijn talenten. In het onderwijs kwam ik opeens weer in aanraking met protocollen, examinering en structuren die sterk leunen op taal en lineariteit. Dat bleek lastig voor mij. In analyse van de situatie ontdekte ik dat dit gestoeld is op eerdere ervaringen waarbij ik onderwijs als een toxische omgeving ervaarde.

Maar ik wilde niet stoppen, want ik ervaar veel plezier in mijn werk. Dus besloot ik te onderzoeken wat ik wél kon doen. Ik volgde een cursus over neurodiversiteit en leerde daarin veel over mijn talenten. Dat zorgde voor een soort van ‘coming-out’: ik ben openlijk in gesprek gegaan over mijn dyslexie, zowel in mijn werk als privé. De positieve reacties die ik daarop kreeg, gaven mijn zelfvertrouwen een enorme boost.

Samen met mijn leidinggevende ben ik gaan kijken naar een rol en invulling die past bij mijn talenten. Wanneer ik mag doceren op mijn eigen manier, gaat het veel beter. Ik geef op coachende manier les met de student centraal en ga samen met ze aan de slag. Ik merk dat wanneer ik mijn eigen verhaal deel, studenten zich ook meer durven uitspreken. Het creëert openheid en gelijkwaardigheid in de klas.

BELANG VAN ERKENNING NEURODIVERSITEIT

Het herkennen en erkennen van neurodiversiteit is van groot belang. Als ik naar de HU kijk, is er een behoorlijk percentage studenten dat uitvalt. Hoeveel van die uitval zou te voorkomen zijn wanneer we onderwijs ontwikkelen vanuit neurodivergente profielen en talenten? Hoeveel studenten haken nu af omdat zij zich niet begrepen of gehoord voelen? Hoe anders zou het zijn als zowel medewerkers als studenten vanuit hun kracht kunnen werken?

Er is nog weinig kennis en bewustwording rondom neurodiversiteit, maar iedere medewerker heeft ermee te maken—bewust of onbewust. In het dagelijkse werk communiceer en werk je altijd samen met mensen die anders denken, anders verwerken en anders reageren. Juist daarom is het waardevol om bewust te worden van je eigen neurotype, en te onderzoeken hoe je samen het beste kunt werken. Hoe kun je gezamenlijke doelen realiseren terwijl je elkaars potentieel benut?

Voor de jaren die ik nog in mijn loopbaan werkzaam ben, wil ik me hiervoor blijven inzetten. Want ik geloof dat onderwijs pas echt inclusief is wanneer iedereen, medewerkers én studenten, de ruimte krijgt om te werken en te leren vanuit ieders talent.

DIRECT NAAR:

In dit hoofdstuk geven we extra achtergrondinformatie over neurodiversiteit en hoe wij dit in de praktijk zien binnen hbo-i en het werkveld. Neurodiversiteit verwijst naar de natuurlijke variatie in hoe mensen denken, informatie verwerken en leren. Binnen het hbo-i komen we deze diversiteit dagelijks tegen, in studenten, in collega’s en in onszelf. Toch is de bewustwording hiervan nog beperkt, terwijl het erkennen van verschillende neuroprofielen een groot verschil kan maken in studiesucces, werkplezier en samenwerking.

1. NEURODIVERSITEIT

1.2 WAT IS NEURODIVERSITEIT?

Hoe duiden we het begrip neurodiversiteit? We hebben het er dan over dat geen enkel brein hetzelfde is. Ieder mens heeft een unieke neurologische bedrading, waardoor we allemaal op onze eigen manier denken, ervaren, communiceren en leren. Neurodivergent is een parapluterm voor mensen van wie het brein anders werkt dan wat in de samenleving als de heersende norm wordt beschouwd. Hieronder vallen bijvoorbeeld autisme, ADHD en dyslexie. Deze opsomming is echter niet volledig; welke neurotypen precies onder neurodivergentie vallen, varieert per bron. Bovendien is een officiële diagnose geen vereiste om neurodivergent te zijn; mensen kunnen zich hier ook op basis van herkenning mee identificeren. Naar schatting is ongeveer 20% van de bevolking neurodivergent (Doyle, 2020), al ligt het werkelijke percentage mogelijk hoger.

NEURODIVERGENT EN NEUROTYPISCH: GEEN NORM MAAR VARIATIE

Tegenover het begrip neurodivergent staat het begrip neurotypisch, dat wordt gebruikt voor mensen van wie het cognitieve functioneren grotendeels overeenkomt met de maatschappelijke norm. Belangrijk om te benadrukken is dat deze ‘norm’ geen objectief ideaal is, maar een sociaal geconstrueerd referentiekader, gebaseerd op wat in een samenleving als normaal of wenselijk wordt gezien. In werkelijkheid bestaat er geen universeel “gemiddeld” of “normaal” brein.

HET SPIKY PROFILE: PIEKEN EN DALEN IN TALENTEN EN UITDAGINGEN

Ieder mens heeft een uniek profiel van sterke kanten, talenten, kwetsbaarheden en uitdagingen. Bij neurodivergente mensen is er vaak sprake van een grotere variatie tussen verschillende vaardigheden. Dit wordt ook wel een spiky profile genoemd: een patroon waarbij iemand duidelijke pieken en dalen laat zien in diens vaardigheden. Specifieke talenten gaan vaak samen met gebieden die juist meer moeite kosten. Spikes naar boven gaan daarbij dus vaak hand in hand met spikes naar beneden. Het herkennen van zo’n profiel is waardevol, omdat sterke kanten bewust benut kunnen worden terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de uitdagingen die iemand ervaart (Doyle, 2020; Schepers, 2023).

NEURODIVERSITEIT ALS KRACHT: WAT WE KUNNEN LEREN VAN DE NATUUR

De kracht van neurodiversiteit is verder goed te vergelijken met biodiversiteit in de natuur. Biodiversiteit gaat over de verscheidenheid aan planten, dieren en ecosystemen. Hoe groter die verscheidenheid, hoe sterker en beter bestand tegen veranderingen het geheel is. Elk organisme speelt zijn eigen rol, en juist die combinatie zorgt voor een gezond, evenwichtig ecosysteem. Zo werkt het ook bij mensen: verschillende manieren van denken, leren en waarnemen maken onze samenleving creatiever, innovatiever en beter in staat om complexe uitdagingen aan te pakken. In zowel de natuur als de maatschappij is variatie geen fout om te corrigeren, maar een bron van kracht om te koesteren en te beschermen (Schepers, 2023). Zowel neurotypische als neurodivergente breinen brengen waardevolle perspectieven, creatieve oplossingen en vaardigheden mee. Samen zorgen ze voor rijkere gesprekken, meer innovatieve ideeën en veerkrachtigere gemeenschappen.

1.3 NEURODIVERSITEIT IN ONDERWIJS EN BEROEPSBEELD

Wie voor de klas staat, merkt al snel dat geen twee studenten hetzelfde informatie verwerken. De één heeft extra tijd nodig voor opdrachten, de ander barst van de mondelinge overtuigingskracht maar stokt zodra er geschreven moet worden. Soms zie je een student fysiek afhaken wanneer de groep in een chaotische brainstorm schiet, soms juist het tegenovergestelde: een student die met een onverwacht creatieve invalshoek een hele projectgroep op scherp zet. Hieronder lichten we enkele ervaringen en anekdotes uit die wij als docenten hebben opgedaan.

"EEN STUDENT DIE ANDERS LEERT DAN IK"

"Tijdens een pilotworkshop MILS, die ik (ICT-docent, HU) samen met een studententeam en mijn docententeam heb gedaan, werd ik daar opnieuw op gewezen. De workshop had als doel inzicht te krijgen in ieders persoonlijke leervoorkeuren en bijpassende leerstrategieën. Eén van de studenten gaf aan dat hij moeite had met visuele informatie. Dit had hem in het begin van zijn studie aanzienlijke vertraging opgeleverd.

Uit het onderzoek bleek dat informatie in tekstvorm, in combinatie met een duidelijke structuur, wél goed bij hem binnenkwam. Ik realiseerde me dat ik – vanwege mijn eigen voorkeur voor visueel leren – mijn lessen vaak baseerde op afbeeldingen. Daardoor hield ik onbewust geen rekening met studenten die anders leren dan ik. Pas toen begreep ik waarom deze student tijdens de lessen vaak zijn hoofd afwendde wanneer ik weer met nieuwe plaatjes kwam. Bij het bespreken van de leervoorkeuren van de studenten én van mezelf ontdekte ik dat hij veel baat had bij de manier waarop ik mijn lessen had gestructureerd: volgens de opbouw van een studieboek. In iedere les behandelde ik één of twee hoofdstukken. Hij bereidde zich telkens voor door de stof vooraf te lezen en gebruikte de les vervolgens om via dialoog te toetsen of zijn begrip klopte met de uitleg.

De studenten gaven unaniem aan dat het waardevol zou zijn als zowel studenten als docenten aan het begin van de opleiding inzicht krijgen in hun leervoorkeuren en leerstrategieën. Deze conclusie kwam ook naar voren tijdens de pilot met mijn collega’s. In die workshop werden wij ons bewust van onze uiteenlopende leervoorkeuren en leerstrategieën, en van de impact daarvan op onze onderlinge samenwerking, maar ook op de samenwerking met studenten bij onderwijsontwerp, uitvoering en toetsing."

"HET LEVEN MET ADHD"

"Ik (docent informatica, Avans) voer een online studieloopbaangesprek met een langstudeerder. Op de hogeschool heeft hij op bachelor niveau in drie jaar tijd slechts 60 studiepunten behaald. Op advies van de studentendecaan is hij vervolgens overgestapt naar het AD-niveau. In maatwerkgesprekken heb ik samen met hem een werkplanning opgesteld, met als doel om onderwijsblokken 3 en 4 volledig en op tijd af te ronden. Als dat lukt, kan hij beginnen aan het afstuderen.

Na een vriendelijke begroeting steekt de student meteen van wal: “Volgende week skeeler ik naar Denemarken.” Hij vertelt dat hij naar Kopenhagen gaat skeeleren. Als hij elke dag 80 tot 100 kilometer aflegt, is hij er in tien dagen. Twee weken daarvoor had hij iemand leren kennen die daar studeert. Ik vraag hem hoe hij dit combineert met het oplevermoment drie weken later. Hij denkt dat het haalbaar is: zijn laptop gaat mee in zijn rugzak, overdag skeelert hij en ’s avonds werkt hij aan zijn opdrachten in hostels—al heeft hij die nog niet geboekt. “De avond ervoor reserveer ik wel iets,” zegt hij luchtig.

Na de skeelertocht neemt de student opnieuw contact op. Hij wil een voortgangsgesprek plannen, want nu het oplevermoment nadert, ervaart hij paniek. Ik spreek hem opnieuw online. Hij zit op zijn studentenkamer. Achter hem zie ik een warrig bed en een open kledingkast waarin kleding provisorisch is opgestapeld. Op mijn verzoek draait hij de camera rond en ik constateer dat hij in een grote warboel leeft.

Op mijn vraag hoe het programmeren ging, antwoordt hij: “Helaas niet gelukt. Ik ben nu bezig, maar ik krijg het niet af voor maandag.” En op de vraag hoe ver hij is met evalueren en reflecteren: “Ook een probleem… daar moet ik nog aan beginnen.”

Na dit gesprek heb ik minutenlang naar buiten zitten staren vol verbazing. Hoe is dat, leven met ADHD? vroeg ik me af. Die enorme impulsiviteit, die een planning volledig kan ontregelen, die paniek veroorzaakt en uiteindelijk leidt tot onvolledig studiewerk. Terwijl hij een zeer vriendelijke jongeman is, die geen vlieg kwaad doet en altijd bereid is om medestudenten te helpen—wat ironisch genoeg vaak óók ten koste gaat van zijn eigen planning. Het voelt ongrijpbaar, alsof hij als los zand tussen mijn vingers doorglipt.

Die middag heb ik zijn voortgang besproken in het teamoverleg en de mogelijkheid van verlengde tijd voorgesteld. Deze had ik gelukkig al bij voorbaat ingebouwd, zonder dat hij dat wist. Nu zoek ik in mijn Teams-agenda naar een nieuw moment voor het volgende studieloopbaangesprek. Het is passen en meten, en ik moet snel zijn, want de volgende student staat al in de deuropening van de docentenkamer, met een hulpvraag die duidelijk van haar gezicht is af te lezen."

NEURODIVERSITEIT IN ELKE LES: BEWUSTWORDING ALS STARTPUNT

Deze voorbeelden laten zien dat neurodiversiteit geen uitzondering is, maar een realiteit in iedere klas. Wanneer we ons als docenten bewust worden van deze verschillen, zoals een student die beter leert via tekst dan via beelden, of een student wiens ADHD leidt tot impulsieve keuzes en ontregelde planningen kunnen we onderwijs vormgeven dat meer ruimte biedt aan uiteenlopende leerbehoeften en sterke punten. Dit is niet alleen belangrijk om studenten succesvol door hun studie te begeleiden, maar ook omdat het beroepsveld hun straks tegemoetkomt.

VAN OPLEIDING NAAR WERKVELD: NEURODIVERSITEIT ALS MEERWAARDE

In de praktijk, zeker binnen ICT, blijken neurodivergente eigenschappen vaak een waardevolle bron van innovatie, probleemoplossend vermogen en originele perspectieven. Tegelijkertijd vragen samenwerking, communicatie en planning op de werkvloer om zelfinzicht en ondersteuning, vaardigheden die studenten in hun opleiding moeten kunnen ontwikkelen. Door studenten en docenten vroegtijdig inzicht te geven in leervoorkeuren, leerstrategieën en de impact van neurodiversiteit, leggen we een basis voor inclusiever onderwijs én voor een beroepspraktijk waarin divers talent beter tot zijn recht komt. Het is precies in die verbinding tussen onderwijs en werkveld dat de meerwaarde zichtbaar wordt: studenten leren niet alleen wat ze moeten kennen en kunnen, maar ook hoe zij op hun eigen manier kunnen floreren, in de opleiding én daarbuiten.

1.4 SOCIAAL MODEL VERSUS MEDISCH MODEL

Het medisch model ziet leer- of gedragsverschillen vooral als een probleem dat binnen de student zit en dat moet worden gediagnosticeerd en behandeld. Vanuit deze benadering ligt de nadruk op labels, beperkingen en het aanpassen van de student aan het bestaande schoolsysteem. Extra ondersteuning of hulp wordt vaak pas ingezet na een officiële diagnose (ECIO, 2020). Het risico hiervan is dat de verantwoordelijkheid vooral bij het individu komt te liggen, waardoor de omgeving minder wordt aangepast.

HET SOCIAAL MODEL: BARRIERES IN DE LEEROMGEVING CENTRAAL

Het sociaal model vertrekt vanuit een andere gedachte: verschillen zijn een normaal onderdeel van de menselijke variatie. Als een student ergens tegenaan loopt, ligt dat vaak niet alleen aan de student, maar ook aan barrières in de omgeving, het onderwijsontwerp of de houding van de mensen eromheen. In dit model is het doel om die barrières weg te nemen, bijvoorbeeld door flexibelere leerwegen, toegankelijke materialen of prikkelarme ruimtes. Vanuit dit model is een medische verklaring niet noodzakelijk om recht te hebben op passende voorzieningen (ECIO, 2020). De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de student, maar ook bij de school om een inclusieve leeromgeving te creëren.

VAN INDIVIDU NAAR OMGEVING: WAAROM HET SOCIAAL MODEL MEER OPLEVERT

In de praktijk werkt onderwijs vaak met een mengvorm van beide modellen. Toch kan een verschuiving naar het sociaal model grote voordelen hebben: het vergroot gelijke kansen, vermindert stigma en stimuleert dat alle student, neurotypisch en neurodivergent, hun talenten kunnen ontwikkelen binnen een omgeving die hen begrijpt en ondersteunt.

UNIVERSAL DESIGN FOR LEARNING (UDL): HET SOCIAAL MODEL IN DE PRAKTIJK

Een praktische vertaling van het sociaal model in het onderwijs is te vinden in het raamwerk van Universal Design for Learning (UDL). UDL is een onderwijsbenadering die vanaf het begin rekening houdt met de diversiteit van studenten, in plaats van achteraf aanpassingen te maken. Het streeft ernaar om onderwijs zó te ontwerpen dat zoveel mogelijk studenten er direct bij gebaat zijn Daarmee sluit UDL goed aan bij het sociaal model: het verschuift de verantwoordelijkheid van de student naar het ontwerp van het onderwijs zelf, zodat barrières verdwijnen voordat ze een probleem kunnen worden. In het volgende hoofdstuk zullen we het raamwerk van UDL toelichten.

NEURODIVERSITEIT

Ik heb jaren feedback van mijn omgeving ontvangen gericht op mijn beperking (dyslexie) en wat ik niet goed deed. ‘Let nu eens beter op’, ‘Je moet eens beter je best doen’, ‘Heb je weer zoveel taalfouten’. Dat doet wat met je, het heeft bijgedragen aan faalangst en invloed op mijn zelfvertrouwen gehad - Robert-Jan

In 2021 maakte ik de overstap naar het hbo-onderwijs, als ICT-docent aan de Hogeschool Utrecht. Daar ben ik enorm blij mee en het voelt als een cadeau om met mensen te werken en hen te begeleiden in hun persoonlijke en professionele ontwikkeling. Tegelijkertijd merkte ik dat er iets angstigs in me kroop, iets wat terug te voeren was op mijn eigen schooltijd. Onderwijs was voor mij jarenlang een sterk talige, lineaire en vooral moeilijke omgeving. Toen wist ik nog niet dat ik dyslectisch ben; dat ontdekte ik pas toen mijn dochter de diagnose kreeg en ik veel in haar ervaring herkende.

In mijn vorige baan had ik weinig last van mijn dyslexie, omdat ik vooral taken deed die aansloten bij mijn talenten. In het onderwijs kwam ik opeens weer in aanraking met protocollen, examinering en structuren die sterk leunen op taal en lineariteit. Dat bleek lastig voor mij. In analyse van de situatie ontdekte ik dat dit gestoeld is op eerdere ervaringen waarbij ik onderwijs als een toxische omgeving ervaarde.

Maar ik wilde niet stoppen, want ik ervaar veel plezier in mijn werk. Dus besloot ik te onderzoeken wat ik wél kon doen. Ik volgde een cursus over neurodiversiteit en leerde daarin veel over mijn talenten. Dat zorgde voor een soort van ‘coming-out’: ik ben openlijk in gesprek gegaan over mijn dyslexie, zowel in mijn werk als privé. De positieve reacties die ik daarop kreeg, gaven mijn zelfvertrouwen een enorme boost.

Samen met mijn leidinggevende ben ik gaan kijken naar een rol en invulling die past bij mijn talenten. Wanneer ik mag doceren op mijn eigen manier, gaat het veel beter. Ik geef op coachende manier les met de student centraal en ga samen met ze aan de slag. Ik merk dat wanneer ik mijn eigen verhaal deel, studenten zich ook meer durven uitspreken. Het creëert openheid en gelijkwaardigheid in de klas.

BELANG VAN ERKENNING NEURODIVERSITEIT

Het herkennen en erkennen van neurodiversiteit is van groot belang. Als ik naar de HU kijk, is er een behoorlijk percentage studenten dat uitvalt. Hoeveel van die uitval zou te voorkomen zijn wanneer we onderwijs ontwikkelen vanuit neurodivergente profielen en talenten? Hoeveel studenten haken nu af omdat zij zich niet begrepen of gehoord voelen? Hoe anders zou het zijn als zowel medewerkers als studenten vanuit hun kracht kunnen werken?

Er is nog weinig kennis en bewustwording rondom neurodiversiteit, maar iedere medewerker heeft ermee te maken—bewust of onbewust. In het dagelijkse werk communiceer en werk je altijd samen met mensen die anders denken, anders verwerken en anders reageren. Juist daarom is het waardevol om bewust te worden van je eigen neurotype, en te onderzoeken hoe je samen het beste kunt werken. Hoe kun je gezamenlijke doelen realiseren terwijl je elkaars potentieel benut?

Voor de jaren die ik nog in mijn loopbaan werkzaam ben, wil ik me hiervoor blijven inzetten. Want ik geloof dat onderwijs pas echt inclusief is wanneer iedereen, medewerkers én studenten, de ruimte krijgt om te werken en te leren vanuit ieders talent.

1.1 INTRODUCTIE: VANUIT DE PRAKTIJK

In dit hoofdstuk geven we extra achtergrondinformatie over neurodiversiteit en hoe wij dit in de praktijk zien binnen hbo-i en het werkveld. Neurodiversiteit verwijst naar de natuurlijke variatie in hoe mensen denken, informatie verwerken en leren. Binnen het hbo-i komen we deze diversiteit dagelijks tegen, in studenten, in collega’s en in onszelf. Toch is de bewustwording hiervan nog beperkt, terwijl het erkennen van verschillende neuroprofielen een groot verschil kan maken in studiesucces, werkplezier en samenwerking.

1. NEURODIVERSITEIT

DIRECT NAAR:

Hoe duiden we het begrip neurodiversiteit? We hebben het er dan over dat geen enkel brein hetzelfde is. Ieder mens heeft een unieke neurologische bedrading, waardoor we allemaal op onze eigen manier denken, ervaren, communiceren en leren. Neurodivergent is een parapluterm voor mensen van wie het brein anders werkt dan wat in de samenleving als de heersende norm wordt beschouwd. Hieronder vallen bijvoorbeeld autisme, ADHD en dyslexie. Deze opsomming is echter niet volledig; welke neurotypen precies onder neurodivergentie vallen, varieert per bron. Bovendien is een officiële diagnose geen vereiste om neurodivergent te zijn; mensen kunnen zich hier ook op basis van herkenning mee identificeren. Naar schatting is ongeveer 20% van de bevolking neurodivergent (Doyle, 2020), al ligt het werkelijke percentage mogelijk hoger.

NEURODIVERGENT EN NEUROTYPISCH: GEEN NORM MAAR VARIATIE

Tegenover het begrip neurodivergent staat het begrip neurotypisch, dat wordt gebruikt voor mensen van wie het cognitieve functioneren grotendeels overeenkomt met de maatschappelijke norm. Belangrijk om te benadrukken is dat deze ‘norm’ geen objectief ideaal is, maar een sociaal geconstrueerd referentiekader, gebaseerd op wat in een samenleving als normaal of wenselijk wordt gezien. In werkelijkheid bestaat er geen universeel “gemiddeld” of “normaal” brein.

HET SPIKY PROFILE: PIEKEN EN DALEN IN TALENTEN EN UITDAGINGEN

Ieder mens heeft een uniek profiel van sterke kanten, talenten, kwetsbaarheden en uitdagingen. Bij neurodivergente mensen is er vaak sprake van een grotere variatie tussen verschillende vaardigheden. Dit wordt ook wel een spiky profile genoemd: een patroon waarbij iemand duidelijke pieken en dalen laat zien in diens vaardigheden. Specifieke talenten gaan vaak samen met gebieden die juist meer moeite kosten. Spikes naar boven gaan daarbij dus vaak hand in hand met spikes naar beneden. Het herkennen van zo’n profiel is waardevol, omdat sterke kanten bewust benut kunnen worden terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de uitdagingen die iemand ervaart (Doyle, 2020; Schepers, 2023).

NEURODIVERSITEIT ALS KRACHT: WAT WE KUNNEN LEREN VAN DE NATUUR

De kracht van neurodiversiteit is verder goed te vergelijken met biodiversiteit in de natuur. Biodiversiteit gaat over de verscheidenheid aan planten, dieren en ecosystemen. Hoe groter die verscheidenheid, hoe sterker en beter bestand tegen veranderingen het geheel is. Elk organisme speelt zijn eigen rol, en juist die combinatie zorgt voor een gezond, evenwichtig ecosysteem. Zo werkt het ook bij mensen: verschillende manieren van denken, leren en waarnemen maken onze samenleving creatiever, innovatiever en beter in staat om complexe uitdagingen aan te pakken. In zowel de natuur als de maatschappij is variatie geen fout om te corrigeren, maar een bron van kracht om te koesteren en te beschermen (Schepers, 2023). Zowel neurotypische als neurodivergente breinen brengen waardevolle perspectieven, creatieve oplossingen en vaardigheden mee. Samen zorgen ze voor rijkere gesprekken, meer innovatieve ideeën en veerkrachtigere gemeenschappen.

1.2 WAT IS NEURODIVERSITEIT?

Wie voor de klas staat, merkt al snel dat geen twee studenten hetzelfde informatie verwerken. De één heeft extra tijd nodig voor opdrachten, de ander barst van de mondelinge overtuigingskracht maar stokt zodra er geschreven moet worden. Soms zie je een student fysiek afhaken wanneer de groep in een chaotische brainstorm schiet, soms juist het tegenovergestelde: een student die met een onverwacht creatieve invalshoek een hele projectgroep op scherp zet. Hieronder lichten we enkele ervaringen en anekdotes uit die wij als docenten hebben opgedaan.

"EEN STUDENT DIE ANDERS LEERT DAN IK"

"Tijdens een pilotworkshop MILS, die ik (ICT-docent, HU) samen met een studententeam en mijn docententeam heb gedaan, werd ik daar opnieuw op gewezen. De workshop had als doel inzicht te krijgen in ieders persoonlijke leervoorkeuren en bijpassende leerstrategieën. Eén van de studenten gaf aan dat hij moeite had met visuele informatie. Dit had hem in het begin van zijn studie aanzienlijke vertraging opgeleverd.

Uit het onderzoek bleek dat informatie in tekstvorm, in combinatie met een duidelijke structuur, wél goed bij hem binnenkwam. Ik realiseerde me dat ik – vanwege mijn eigen voorkeur voor visueel leren – mijn lessen vaak baseerde op afbeeldingen. Daardoor hield ik onbewust geen rekening met studenten die anders leren dan ik. Pas toen begreep ik waarom deze student tijdens de lessen vaak zijn hoofd afwendde wanneer ik weer met nieuwe plaatjes kwam. Bij het bespreken van de leervoorkeuren van de studenten én van mezelf ontdekte ik dat hij veel baat had bij de manier waarop ik mijn lessen had gestructureerd: volgens de opbouw van een studieboek. In iedere les behandelde ik één of twee hoofdstukken. Hij bereidde zich telkens voor door de stof vooraf te lezen en gebruikte de les vervolgens om via dialoog te toetsen of zijn begrip klopte met de uitleg.

De studenten gaven unaniem aan dat het waardevol zou zijn als zowel studenten als docenten aan het begin van de opleiding inzicht krijgen in hun leervoorkeuren en leerstrategieën. Deze conclusie kwam ook naar voren tijdens de pilot met mijn collega’s. In die workshop werden wij ons bewust van onze uiteenlopende leervoorkeuren en leerstrategieën, en van de impact daarvan op onze onderlinge samenwerking, maar ook op de samenwerking met studenten bij onderwijsontwerp, uitvoering en toetsing."

"HET LEVEN MET ADHD"

"Ik (docent informatica, Avans) voer een online studieloopbaangesprek met een langstudeerder. Op de hogeschool heeft hij op bachelor niveau in drie jaar tijd slechts 60 studiepunten behaald. Op advies van de studentendecaan is hij vervolgens overgestapt naar het AD-niveau. In maatwerkgesprekken heb ik samen met hem een werkplanning opgesteld, met als doel om onderwijsblokken 3 en 4 volledig en op tijd af te ronden. Als dat lukt, kan hij beginnen aan het afstuderen.

Na een vriendelijke begroeting steekt de student meteen van wal: “Volgende week skeeler ik naar Denemarken.” Hij vertelt dat hij naar Kopenhagen gaat skeeleren. Als hij elke dag 80 tot 100 kilometer aflegt, is hij er in tien dagen. Twee weken daarvoor had hij iemand leren kennen die daar studeert. Ik vraag hem hoe hij dit combineert met het oplevermoment drie weken later. Hij denkt dat het haalbaar is: zijn laptop gaat mee in zijn rugzak, overdag skeelert hij en ’s avonds werkt hij aan zijn opdrachten in hostels—al heeft hij die nog niet geboekt. “De avond ervoor reserveer ik wel iets,” zegt hij luchtig.

Na de skeelertocht neemt de student opnieuw contact op. Hij wil een voortgangsgesprek plannen, want nu het oplevermoment nadert, ervaart hij paniek. Ik spreek hem opnieuw online. Hij zit op zijn studentenkamer. Achter hem zie ik een warrig bed en een open kledingkast waarin kleding provisorisch is opgestapeld. Op mijn verzoek draait hij de camera rond en ik constateer dat hij in een grote warboel leeft.

Op mijn vraag hoe het programmeren ging, antwoordt hij: “Helaas niet gelukt. Ik ben nu bezig, maar ik krijg het niet af voor maandag.” En op de vraag hoe ver hij is met evalueren en reflecteren: “Ook een probleem… daar moet ik nog aan beginnen.”

Na dit gesprek heb ik minutenlang naar buiten zitten staren vol verbazing. Hoe is dat, leven met ADHD? vroeg ik me af. Die enorme impulsiviteit, die een planning volledig kan ontregelen, die paniek veroorzaakt en uiteindelijk leidt tot onvolledig studiewerk. Terwijl hij een zeer vriendelijke jongeman is, die geen vlieg kwaad doet en altijd bereid is om medestudenten te helpen—wat ironisch genoeg vaak óók ten koste gaat van zijn eigen planning. Het voelt ongrijpbaar, alsof hij als los zand tussen mijn vingers doorglipt.

Die middag heb ik zijn voortgang besproken in het teamoverleg en de mogelijkheid van verlengde tijd voorgesteld. Deze had ik gelukkig al bij voorbaat ingebouwd, zonder dat hij dat wist. Nu zoek ik in mijn Teams-agenda naar een nieuw moment voor het volgende studieloopbaangesprek. Het is passen en meten, en ik moet snel zijn, want de volgende student staat al in de deuropening van de docentenkamer, met een hulpvraag die duidelijk van haar gezicht is af te lezen."

NEURODIVERSITEIT IN ELKE LES: BEWUSTWORDING ALS STARTPUNT

Deze voorbeelden laten zien dat neurodiversiteit geen uitzondering is, maar een realiteit in iedere klas. Wanneer we ons als docenten bewust worden van deze verschillen, zoals een student die beter leert via tekst dan via beelden, of een student wiens ADHD leidt tot impulsieve keuzes en ontregelde planningen kunnen we onderwijs vormgeven dat meer ruimte biedt aan uiteenlopende leerbehoeften en sterke punten. Dit is niet alleen belangrijk om studenten succesvol door hun studie te begeleiden, maar ook omdat het beroepsveld hun straks tegemoetkomt.

VAN OPLEIDING NAAR WERKVELD: NEURODIVERSITEIT ALS MEERWAARDE

In de praktijk, zeker binnen ICT, blijken neurodivergente eigenschappen vaak een waardevolle bron van innovatie, probleemoplossend vermogen en originele perspectieven. Tegelijkertijd vragen samenwerking, communicatie en planning op de werkvloer om zelfinzicht en ondersteuning, vaardigheden die studenten in hun opleiding moeten kunnen ontwikkelen. Door studenten en docenten vroegtijdig inzicht te geven in leervoorkeuren, leerstrategieën en de impact van neurodiversiteit, leggen we een basis voor inclusiever onderwijs én voor een beroepspraktijk waarin divers talent beter tot zijn recht komt. Het is precies in die verbinding tussen onderwijs en werkveld dat de meerwaarde zichtbaar wordt: studenten leren niet alleen wat ze moeten kennen en kunnen, maar ook hoe zij op hun eigen manier kunnen floreren, in de opleiding én daarbuiten.

1.3 NEURODIVERSITEIT IN ONDERWIJS EN BEROEPSBEELD

Het medisch model ziet leer- of gedragsverschillen vooral als een probleem dat binnen de student zit en dat moet worden gediagnosticeerd en behandeld. Vanuit deze benadering ligt de nadruk op labels, beperkingen en het aanpassen van de student aan het bestaande schoolsysteem. Extra ondersteuning of hulp wordt vaak pas ingezet na een officiële diagnose (ECIO, 2020). Het risico hiervan is dat de verantwoordelijkheid vooral bij het individu komt te liggen, waardoor de omgeving minder wordt aangepast.

HET SOCIAAL MODEL: BARRIERES IN DE LEEROMGEVING CENTRAAL

Het sociaal model vertrekt vanuit een andere gedachte: verschillen zijn een normaal onderdeel van de menselijke variatie. Als een student ergens tegenaan loopt, ligt dat vaak niet alleen aan de student, maar ook aan barrières in de omgeving, het onderwijsontwerp of de houding van de mensen eromheen. In dit model is het doel om die barrières weg te nemen, bijvoorbeeld door flexibelere leerwegen, toegankelijke materialen of prikkelarme ruimtes. Vanuit dit model is een medische verklaring niet noodzakelijk om recht te hebben op passende voorzieningen (ECIO, 2020). De verantwoordelijkheid ligt niet alleen bij de student, maar ook bij de school om een inclusieve leeromgeving te creëren.

VAN INDIVIDU NAAR OMGEVING: WAAROM HET SOCIAAL MODEL MEER OPLEVERT

In de praktijk werkt onderwijs vaak met een mengvorm van beide modellen. Toch kan een verschuiving naar het sociaal model grote voordelen hebben: het vergroot gelijke kansen, vermindert stigma en stimuleert dat alle student, neurotypisch en neurodivergent, hun talenten kunnen ontwikkelen binnen een omgeving die hen begrijpt en ondersteunt.

UNIVERSAL DESIGN FOR LEARNING (UDL): HET SOCIAAL MODEL IN DE PRAKTIJK

Een praktische vertaling van het sociaal model in het onderwijs is te vinden in het raamwerk van Universal Design for Learning (UDL). UDL is een onderwijsbenadering die vanaf het begin rekening houdt met de diversiteit van studenten, in plaats van achteraf aanpassingen te maken. Het streeft ernaar om onderwijs zó te ontwerpen dat zoveel mogelijk studenten er direct bij gebaat zijn Daarmee sluit UDL goed aan bij het sociaal model: het verschuift de verantwoordelijkheid van de student naar het ontwerp van het onderwijs zelf, zodat barrières verdwijnen voordat ze een probleem kunnen worden. In het volgende hoofdstuk zullen we het raamwerk van UDL toelichten.

1.4 SOCIAAL MODEL VERSUS MEDISCH MODEL